Inleiding
De ziekte van Pelizaeus-Merzbacher is een zeldzame, erfelijke hersenziekte. De witte stof in
de hersenen is daarbij aangetast. Deze ziekten worden ook leukodystrofieën genoemd.
Achtergrond:
De ziekte van Pelizaeus-Merzbacher is een zogenoemde wittestofziekte of ‘leukodystrofie’.
De witte stof vormt het geleidingssysteem van de hersenen. ‘Boodschappen’ worden
aangemaakt in zenuwcellen en moeten doorgegeven worden aan andere delen van de
hersenen of het lichaam. Het doorgeven verloopt via de witte stof. De zenuwvezels die de
informatie doorgeven zijn geïsoleerd door myeline. Het doorgeven van de informatie wordt
daardoor sneller. Het myelinelaagje is ook belangrijk voor de bescherming van de
zenuwvezel. Bij patiënten met Pelizaeus-Merzbacher ontbreekt de myeline bijna volledig.
Boodschappen kunnen alleen langzaam worden doorgegeven, en de zenuwvezels zijn niet
goed beschermd.De eerste patiënten met deze ziekte werden meer dan 100 jaar geleden
beschreven door de Duitse artsen Pelizaeus en Merzbacher.
Het defecte eiwit bij de ziekte van Pelizaeus-Merzbacher
De ziekte van Pelizaeus-Merzbacher wordt veroorzaakt door een defect in het eiwit
proteolipid protein-1, veroorzaakt door een afwijking op het X-chromosoom. Dit wordt het
PLP1 gen genoemd. Dit defect verstoort de aanmaak van myeline, want PLP1 is het
belangrijkste onderdeel van myeline. Het gebrek aan myeline kan worden aangetoond
middels MRI onderzoek van de hersenen.
De ziekte van Pelizaeus-Merzbacher wordt onderscheiden in drie grote vormen:de
aangeboren vorm, de klassieke vorm en de volwassen/adulte vorm. Bij de klassieke vorm is
meestal sprake van een verdubbeling van het hele PLP1 gen. Bij de andere vormen is sprake
van een mutatie of missende informatie op het gen.
Zeldzaamheid
De ziekte van Pelizaeus-Merzbacher is een zeldzame aandoening die bijna uitsluitend
voorkomt bij jongens. Het is onbekend hoe vaak de ziekte precies voorkomt in België.
Symptomen
De ziekte van Pelizaeus-Merzbacher wordt onderscheiden in drie vormen. De aangeboren
vorm, de klassieke vorm en de volwassen/adulte vorm.
Aangeboren vorm
Bij de aangeboren vorm is het verloop het ernstigst. Al vanaf de geboorte heeft de patiënt
symptomen, zoals geluid bij het inademen en trillende oogbewegingen (nystagmus). Lage
spierspanning bij de geboorte ontwikkelt zich in de kinderjaren tot spasticiteit. Patiënten
leren over het algemeen niet zitten, lopen en praten. Ze blijven achter in lengtegroei,
lichaamsgewicht en verstandelijke ontwikkeling. Vaak is sondevoeding noodzakelijk. Soms
hebben de patiënten onwillekeurige spierbewegingen of abnormale houdingen. Vaak
overlijden deze kinderen in de vroege kinderjaren.
Klassieke vorm
De klassieke vorm komt het meeste voor. Bij de klassieke vorm ontstaan de verschijnselen
vaak in de eerste levensmaanden. Vaak hebben kinderen met deze vorm last van trillende
oogbewegingen, schokken, trillen of rollende bewegingen van het hoofd. De onwillekeurige
oogbewegingen verbeteren vaak langzaam. Lage spierspanning bij de geboorte ontwikkelt
zich in de kinderjaren tot spasticiteit. Patiënten met milde verschijnselen leren soms lopen,
meestal met een hulpmiddel. Soms verliezen ze deze mogelijkheid ook weer als de
spasticiteit toeneemt. Vaak is sprake van een milde geestelijke achterstand. Bij de kinderen
met ernstige verschijnselen blijft de lengtegroei achter en zijn er vaak voedingsproblemen.
De levensverwachting is korter, afhankelijk van de klachten. Er zijn ook patiënten bekend die
zeventig jaar oud zijn geworden.
Volwassen/adulte vorm
De volwassen/adulte vorm geeft vaak mildere klachten na de leeftijd van tien jaar. Deze
patiënten hebben een normale levensverwachting. Hun MRI kan normaal zijn.
Hoewel voornamelijk jongens/ mannen de ziekte krijgen, ontwikkelen de vrouwelijke
dragers (meestal van families met jongens met milde klachten) soms op latere leeftijd milde
klachten, zoals loopstoornissen door een milde spasticiteit.
Diagnose
Door het klachtenpatroon en hersenonderzoek middels MRI kan de diagnose voor de ziekte
van Pelizaeus-Merzbacher gesteld worden. Door DNA-onderzoek kan bepaald worden of er
sprake is van een afwijkend PLP1-gen.