Ceroid lipofuscinosis type 1-10

Synoniemen

  • CLN1 (infantiele NCL) Haltia-Santavuori

Inleiding

Inleiding CLN1 of de ziekte van Haltia-Santavuori is een zeldzame, erfelijke stofwisselingsziekte. Met ‘stofwisseling’ wordt het omzetten en verwerken van stoffen in ons lichaam bedoeld. Dat is nodig voor de opbouw van weefsels, zoals spieren, botten en organen en voor het vrijmaken van energie. De stofwisseling vindt plaats in alle cellen van ons lichaam, waar enzymen hun werk doen. Als er iets mis is met een enzym, is de stofwisseling verstoord. Een bepaalde stof kan niet meer worden omgezet en hoopt zich op in de cel. En de stof waarin die bepaalde stof normaal wordt omgezet, wordt minder geproduceerd. Als het ophopen of het onvoldoende produceren van een bepaalde stof tot klachten leidt, noemen we het een stofwisselingsziekte. Achtergrond: Er zijn inmiddels 14 verschillende vormen van Neuronale Ceroid Lipofuscinose (CLN) beschreven. Al deze vormen van CLN hebben vergelijkbaar beloop van progressieve ziekteverschijnselen, zoals stoornissen in het zien, motorische en cognitieve achteruitgang, epilepsie en (vroegtijdig) overlijden. Alle verschillende Neuronale Ceroïd Lipofuscinosen (CLN) zijn het gevolg van een gestoorde stofwisseling door het ontbreken of niet goed functioneren van bepaalde enzymen in het lichaam. Hierdoor worden pigmentstoffen, ceroid lipofuscines, opgeslagen in alle lichaamscellen, maar voornamelijk in de zenuwcellen van patiënten. Daardoor staan de gevolgen in de zenuwcellen van ogen en hersenen bij deze ziekten het meest op de voorgrond. CLN1 is de infantiele vorm van deze groep progressieve, neurologische aandoeningen. De aanduiding infantiel slaat op de leeftijd waarop de eerste symptomen doorgaans opgemerkt worden. Meestal wordt de diagnose gesteld als de patiënt ongeveer een jaar oud is. Dit is de klassieke vorm van CLN1 die het meest voorkomt. Er zijn ook andere vormen van CLN1 (laat-infantiel, juveniel of adulte vorm) waarbij de ziekte op een andere leeftijd manifesteert en het ziektebeloop afwijkt van de klassieke vorm. Er zijn nog drie andere vormen van CLN, waar een aparte ziektebeschrijving van is: CLN2 of de ziekte van Jansky-Bielschowsky wordt ook wel genoemd. Deze ziekte verloopt iets trager. Vanaf ongeveer het derde jaar beginnen de symptomen. De meeste kinderen met de ziekte van CLN2 overlijden voor hun vijftiende levensjaar. CLN3 wordt ook wel Batten-Spielmeyer-Vogt genoemd. Deze ziekte begint meestal met slechtziendheid, optredend tussen het vijfde en achtste levensjaar. Er zet een algehele achteruitgang in die er uiteindelijk toe leidt dat patiënten vroegtijdig komen te overlijden. In de meeste gevallen worden deze patiënten tussen de achttien en dertig jaar oud. Onder de volwassen vorm van CLN, ook wel adulte CLN genoemd, vallen verschillende vormen van CLN. Eén daarvan is de ziekte van Kufs (CLN4). Alle adulte vormen hebben met elkaar gemeen dat ze beginnen op (jong-) volwassen leeftijd en langzamer verlopen. Het ziektebeeld kan ook op oudere leeftijd na het veertigste jaar beginnen. Vaak wordt het dan verward worden met andere dementerende ziektes. Lysosomale stapelingsziekten Lysosomen zijn onderdelen in de cellen van een mens. Het zijn in feite de recyclefabriekjes van de cel, waar moleculen worden afgebroken. Dit zijn oude, kapotte cel onderdelen, of bijvoorbeeld delen van virussen of bacteriën die door het lichaam zijn vernietigd. In deze lysosomen worden grote moleculen in kleinere stukken geknipt, waarna ze vervolgens door de cel hergebruikt worden. De gemiddeld 300 lysosomen in een cel zijn zeer verschillend. Hun vorm is afhankelijk van welke moleculen ze precies moeten afbreken. Binnen een lysosoom zijn zo’n tientallen enzymen actief, die elk een specifieke stap in het verknippen van een stof uitvoeren. Als er een enzym ontbreekt of zijn werk niet goed doet, kan één stap in de verwerking niet worden uitgevoerd. De stof die verwerkt had moeten worden, hoopt zich dan op in het lysosoom. Vandaar de naam lysosomale stapelingsziekten: een ongewenste stof stapelt zich op in het lysosoom. Dit heeft gevolgen voor de cel en uiteindelijk ook voor de organen en het lichaam. Het defecte of ontbrekende enzym CLN1 wordt veroorzaakt door een defect in het enzym palmitoyl-protein thioesterase 1 (PPT-1). Zeldzaamheid Deze ziekte komt het meest in Finland voor. Het aantal kinderen dat met CLN1 geboren wordt, is daar ongeveer 5 per 100.000 levendgeborenen. Dat is ongeveer drie per jaar. Van alle mensen met een CLN-ziekte in België behoort circa vijf procent tot deze vorm van CLN. De laatste twintig jaar is de diagnose ongeveer één keer per drie jaar gesteld. Symptomen De Neuronale Ceroid Lipofuscinosen vormen een groep stofwisselingsziekten met het volgende kenmerk: in de zenuwcellen (neuronen) van hersenen en in andere weefsels, zoals spiercellen, wordt de stof ‘ceroid lipofuscine’ gestapeld. Hoewel men altijd gedacht heeft dat deze stapeling de oorzaak is van het achteruitgaan van de cel-functie, lijkt het er steeds meer op, dat er naast stapeling andere, belangrijker, factoren zijn die de cel-functie verstoren. Welke dat zijn, wordt nog onderzocht. Het eerste symptoom is meestal een snelle verslechtering van het gezichtsvermogen door verstoring van de functie van de zenuwcellen in het netvlies. Bij kinderen met CLN1 is verstoring van het gezichtsvermogen echter niet het eerste teken van de ziekte. De kinderen ontwikkelen zich grotendeels normaal in hun eerste levensjaar daarna gaan ze echter geestelijk en lichamelijk zeer snel achteruit. De eerste ziekteverschijnselen zijn prikkelbaarheid, rusteloosheid en slaapstoornissen. Daarna wordt opgemerkt dat het kind slechter gaat zien. De patiëntjes hebben meestal een te klein hoofdje. Later krijgt het kind moeite met het bewaren van het evenwicht en er ontstaat epilepsie (en slechtziendheid). Later hebben kinderen met CLN1 vaak voedingsproblemen door slikstoornissen en longproblemen met veel slijmvorming. Een opvallend kenmerk zijn de spierschokjes (“myo clonieën”). Vanaf dat patiëntjes ongeveer drie jaar oud zijn, worden ze afhankelijk van volledige verzorging. De kinderen overlijden in het algemeen voor hun twaalfde levensjaar. Diagnose Het geleidelijk verloop van de meeste vormen van CLN bemoeilijkt het vroegtijdig stellen van de diagnose. De diagnose CLN wordt vaak pas na enkele jaren gesteld. Meestal gebeurt dat door een gespecialiseerde oogarts, neuroloog of kinderarts in een UMC. De kinderarts of kinderneuroloog maken vaak een Elektro Encefalogram (EEG) en een MRI. Op het EEG worden de elektrische golven uit de hersenen weergegeven. Hiermee kan men ook epileptische activiteit registreren. De MRI geeft een beeld van de structuur van de hersenen. Deze is in het begin van de ziekte meestal nog niet afwijkend. De oogarts maakt een elektroretinogram (ERG) om de functie van het netvlies te testen. Deze functie is al vroeg in het ziekteproces gestoord. Er kan ook een huidbiopt worden genomen om met een elektronenmicroscoop te onderzoeken of de huidcellen voor CLN1 kenmerkende structuren bevatten. Het is bekend dat het afwijkende gen van CLN1 ligt op chromosoom nummer 1. Het is daardoor mogelijk om met zekerheid vast te stellen of een patiëntje CLN1 heeft. Ook is het mogelijk om in huid- of bloedcellen de sterk verlaagde enzymactiviteit van het enzym palmitoyl- proteïn thioesterase-1 (PPT1) vast te stellen. Prenatale diagnostiek Wanneer er eerder in een gezin een kind met CLN1 geboren is, is het mogelijk om bij een nieuwe zwangerschap onderzoek te doen naar de ziekte bij het ongeboren kindje.

Werkgroepverantwoordelijke

No team members found.

Behandeling

Helaas is CLN1 niet te behandelen. De kinderen zullen uiteindelijk aan de gevolgen van de ziekte overlijden. Alle aandacht van de medici richt zich erop de symptomen daar waar mogelijk te bestrijden om de patiënten zo comfortabel mogelijk te laten leven. Dit kan bijvoorbeeld door anti-epilepsiemiddelen en medicijnen tegen spierspanning. Fysiotherapeutische adviezen en therapie kunnen ondersteunend zijn voor het algehele lichamelijk functioneren en ook bij slijmophoping in de luchtwegen. Bij deze ziekten is begeleiding van het gezin waarin een kind leeft ook zeer van belang.