Inleiding
GLUT1 deficiëntie syndroom (GLUT1DS) is een zeldzame, erfelijke
stofwisselingsziekte. Met ‘stofwisseling’ wordt het omzetten en verwerken van stoffen
in ons lichaam bedoeld. Dat is nodig voor de opbouw van weefsels, zoals spieren,
botten en organen en voor het vrijmaken van energie. De stofwisseling vindt plaats in
alle cellen van ons lichaam, waar enzymen hun werk doen.
Achtergrond
Het GLUT1DS werd voor het eerst beschreven in 1991 door dr. de Vivo in de
Verenigde Staten. Het probleem bij GLUT1DS is dat glucose (suiker) niet goed naar
de hersenen getransporteerd kan worden. GLUT1 is het eiwit dat glucose
transporteert over de bloed-hersenbarrière (BHB). De BHB is een natuurlijke
barrière, onder andere gevormd door de wand van de bloedvaten in de hersenen, die
de hersenen als het ware scheidt van de rest van het lichaam. De BHB beschermt de
hersenen; het voorkomt bijv. dat allerlei stoffen zomaar de hersenen
ingaan. Glucose is nodig als brandstof voor de hersencellen, en daarom is een
defect in het transport zoals bij GLUT1-DS slecht voor de hersenen. Ze komen als
het ware voortdurend brandstof tekort.
Het defecte of ontbrekende enzym
Het SLC2A1 gen, gelegen op de korte arm van het eerste chromosoom, codeert voor
het eiwit GLUT1 (glucose transporter eiwit type 1). Dit eiwit is onderdeel van de
celmembranen, dat zorgt voor het transport van glucose van het bloed naar de
cellen. GLUT1 is ook betrokken bij het transport van glucose door de bloed
hersenbarrière. Glucose is de brandstof voor cellen. Mutaties in het SLC2A1 gen
verminderen de activiteit van GLUT1, waardoor er minder glucose in de hersenen
komt. Dat veroorzaakt de klachten en symptomen die horen bij het GLUT1 deficiëntie
syndroom.
Voorkomen
GLUT1DS is een zeldzame aandoening. Rond 2008 waren er wereldwijd zo’n 100
patiënten beschreven in de literatuur. Inmiddels weten we dat de ziekte vaker komt
dan voorheen werd gedacht en weten we dat de klachten van patiënt tot patiënt sterk
kunnen verschillen. In Noorwegen is een studie gedaan waaruit een schatting van
het voorkomen van GLUT1DS van 2,6 per miljoen inwoners naar voren kwam.
Waarschijnlijk is deze schatting echter aan de te lage kant, omdat de aandoening
makkelijk wordt gemist.
Symptomen
Zwangerschap en geboorte verlopen in principe normaal en ook de APGAR scores
en het geboortegewicht zijn normaal. Bij het klassieke fenotype (klachtenpatroon)
beginnen epileptische aanvallen meestal gedurende de eerste twee levensjaren.
Sommigen patiënten hebben dagelijks aanvallen, anderen eens per dag, per week of
per maand. De overeenkomst is dat de epileptische aanvallen vaak slecht reageren
op anti-epilepsie medicijnen en snel verbeteren nadat er met een ketogeen dieet
begonnen wordt. Verder kunnen kinderen kortdurende aanvallen van horizontale,
verticale of ronddraaiende oogbewegingen hebben. Daarnaast treden
ontwikkelingsachterstand en leerproblemen op. Sommige patiënten hebben een
relatief klein hoofd. Daarnaast kunnen ze moeite hebben met de coördinatie (ataxie)
en is de spierspanning in de eerste levensjaren vaak laag (hypotonie).
Ook spasticiteit komt voor.
Inmiddels weten we dat het klinisch beeld bij GLUT1DS breder is dan het hierboven
beschreven klassieke beeld en dat de ernst van de klachten kan variëren van mild tot
ernstig. Naast patiënten met een complex neurologisch beeld met epilepsie,
verstandelijke beperking en bewegingsstoornissen worden ook mildere fenotypen
gezien, zoals patiënte met absence epilepsie of aanvalsgewijze
inspanningsgebonden problemen met het bewegen.
Diagnose
De diagnose GLUT1DS wordt gesteld op basis het klinisch onderzoek in combinatie
met een ruggenprik. Een ruggenprik is nodig om hersenvocht te kunnen
onderzoeken. In het hersenvocht wordt een laag glucosegehalte gevonden, terwijl
het bloedsuiker wel normaal is. Onderzoek toonde aan dat in principe alle patiënten
kunnen worden opgestoord met een ruggenprik. MRI en CT scans van de hersenen
zijn bij GLUT1-DS overigens normaal.
De diagnose kan worden bevestigd door genetisch onderzoek, waarbij bij het
grootste deel van de patiënten een mutatie wordt gevonden in het SLC2A1 gen. Er
zijn echter ook patiënten met het GLUT1 deficiëntie syndroom zonder mutatie in
het SLC2A1 gen. Ook de laatst genoemde groep patiënten heeft baat bij een
ketogeen dieet. Dit toont het belang van een ruggenprik in het diagnostisch traject
des te meer aan.
Prenataal onderzoek is mogelijk als de genafwijking van het familielid bekend is.