Inleiding
De ziekte van Fanconi-Bickel (GSD-11) is een zeldzame, erfelijke
stofwisselingsziekte. Met ‘stofwisseling’ wordt het omzetten en verwerken van stoffen
in ons lichaam bedoeld. Dat is nodig voor de opbouw van weefsels, zoals spieren,
botten en organen en voor het vrijmaken van energie. De stofwisseling vindt plaats in
alle cellen van ons lichaam, waar enzymen hun werk doen. Als er iets mis is met een
enzym, is de stofwisseling verstoord. Een bepaalde stof kan niet meer worden
omgezet en hoopt zich op in de cel. Als dit tot klachten leidt, noemen we het een
stofwisselingsziekte.
Glycogeenstapelingsziekten
Het syndroom van Fanconi-Bickel werd vroeger gerekend tot de
glycogeenstapelingsziekten. Dit is een groep van ziekten waarbij de afbraak of
opbouw van glycogeen verstoord is. De Engelse naam van deze ziekten is Glycogen
Storage Diseases, afgekort GSD, waarvan een tiental types zijn. Het syndroom van
Fanconi-Bickel is type 11 (GSD-11). Hoewel bij deze ziekte ook abnormaal veel
glycogeen in de lever is opgeslagen, worden de symptomen niet veroorzaakt door
een fout in de glycogeenstoswisseling, maar door een defect in het glucosetransport.
Daarom wordt de ziekte bij voorkeur aangeduid als ‘syndroom van Fanconi-Bickel’ en
niet als GSD-11. De ziekte ontleent zijn naam aan de artsen Fanconi en Bickel die in
1949 gezamenlijk de eerste patiënt beschreven.
Inmiddels is bekend dat het syndroom van Fanconi-Bickel een glucose transporter
deficiëntie is. Een andere naam voor de ziekte is GLUT 2 deficiëntie.
Achtergrond
Koolhydraten (suikers) zijn belangrijk voor de mens als brandstof (energiebron) of als
hulpstof bij de opbouw van weefsels. Met name de hersenen zijn sterk afhankelijk
van de hoeveelheid suiker in het bloed, daarom is het belangrijk dat de suikerspiegel
in het bloed niet te laag wordt. Het lichaam zorgt op een aantal manieren dat de
suikervoorraad op peil blijft: Koolhydraten worden via de darmen uit de voeding
gehaald. Voor een deel komen ze rechtstreeks als glucose in het bloed, voor een
deel worden ze opgeslagen in de vorm van glycogeen. Dat is een polysaccharide
(zie kader) die door het lichaam wordt gemaakt en vervolgens wordt opgeslagen. Zo
ontstaat een energievoorraad die kan worden benut als het suikerpeil in het bloed
daalt. De grootste opslag van glycogeen vindt plaats in de lever. Daarnaast wordt het
opgeslagen in de spieren.
Als een tijdje na de maaltijd een grote inspanning geleverd moet worden waarbij veel
energie nodig is (bijvoorbeeld sporten), dan kan het glycogeen worden afgebroken
tot glucose om het suikergehalte in het bloed op peil te houden. Als dat niet
voldoende is, kan het lichaam “nieuwe” glucose maken uit niet-koolhydraten, zoals
vetten en eiwitten. Dat proces heet ‘gluconeogenese’.
Bij de verschillende omzettingen van de koolhydraten gebruikt het lichaam een groot
aantal enzymen. Bij het ontbreken van een bepaald enzym kunnen er klachten
optreden ten gevolge van de ophoping van glycogeen of juist een tekort van een
ander koolhydraat.
Koolhydraten komen in verschillende vormen in de voeding voor. Alleen de
eenvoudigste vorm (glucose) kan direct in het bloed worden opgenomen. Andere
soorten koolhydraten worden omgezet in glucose of glycogeen.
Monosacchariden
Dit zijn enkelvoudige suikers (“mono” betekent één). Het belangrijkste
monosaccharide voor de mens is glucose (“glycos” is het Griekse woord voor
suiker). Glucose wordt rechtstreeks gebruikt als energiebron voor een heleboel
organen en de spieren. Fructose, is een iets anders gevormde monosaccharide, die
voorkomt in fruit (vruchtensuiker). Galactose is een monosaccharide, dat gebonden
aan glucose, wordt aangetroffen in melk als lactose (melksuiker). Lactose noemt
men een disaccharide (zie hieronder).
Disacchariden
Dit zijn suikers opgebouwd uit twee monosacchariden. (“di” staat voor twee) Naast
lactose zijn maltose en sucrose voorbeelden van disacchariden. Maltose
(moutsuiker) bestaat uit twee glucosemoleculen. Sucrose (rietsuiker) bestaat uit een
fructosemolecuul en een glucosemolecuul.
Polysacchariden
In brood, pasta en aardappelen zit zetmeel; dit is gemaakt van een groot aantal
glucosemoleculen aan elkaar. Zetmeel is een polysaccharide (“polys” betekent veel);
een meervoudig suiker. Hiervan kan het lichaam zelf verschillende nieuwe suikers
maken.
Glycogeen
Een overschot aan koolhydraten slaat het lichaam op als glycogeen, een
polysaccharide. Glycogeen is een lange keten van glucosemoleculen, met een
heleboel vertakkingen.
Het defecte enzym bij het syndroom van Fanconi-Bickel
Zeldzaamheid
Het syndroom van Fanconi-Bickel is een zeer zeldzame ziekte.
Andere glycogeenstapelingsziekten
Naast het syndroom van Fanconi-Bickel zijn er nog tien andere
glycogeenstapelingsziekten. Net als bij het syndroom van Fanconi-Bickel is er vaak
de naam van een arts aan verbonden die de ziekte als eerste heeft ontdekt, of een
belangrijke mijlpaal in de kennis over de ziekte heeft bereikt. Hieronder worden alle
glycogeenstapelingsziekten opgesomd, met de naam van de arts waarnaar ze zijn
genoemd. Ze kunnen worden onderverdeeld in ziekten waarbij voornamelijk de
spieren zijn aangedaan en ziekten waarbij zowel de lever als de spieren zijn
aangedaan.
Glycogeenstapelingsziekten waarbij voornamelijk de spieren zijn aangedaan:
GSD-2 (Pompe)
GSD-5 (McArdle)
GSD-7 (Tarui)
Glycogeenstapelingsziekten waarbij zowel de spieren als de lever zijn aangedaan:
GSD-1 (von Gierke)
GSD-3 (Cori-Forbes)
GSD-4 (Andersen)
GSD-6 (Hers)
GSD-9
GSD-0
GSD-11 (Fanconi-Bickel)
Symptomen
Patiënten met het syndroom van Fanconi-Bickel komen vaak voor hun tweede
levensjaar bij een arts met een vaak ernstige groeiachterstand. Vaak hebben ze
daarbij last van trillende ledematen. Op de leeftijd van twee jaar hebben de kinderen
een bolle buik doordat hun lever en nieren sterk vergroot zijn.
Hun nieren werken slecht en zowel in de lever als in de nieren is een stapeling van
glycogeen te vinden. De patiënten kunnen galactose niet goed verwerken.
Diagnose
Verschillende testen kunnen een indicatie geven van de diagnose. Voor een
definitieve diagnose wordt het GLUT2 gen geanalyseerd.