Inleiding
Metachromatische leukodystrofie (MLD) is een zeldzame, erfelijke
stofwisselingsziekte. Met ‘stofwisseling’ wordt het omzetten en verwerken van stoffen
in ons lichaam bedoeld. Dat is nodig voor de opbouw van weefsels, zoals spieren,
botten en organen en voor het vrijmaken van energie. De stofwisseling vindt plaats in
alle cellen van ons lichaam, waar enzymen hun werk doen. Als er iets mis is met een
enzym, is de stofwisseling verstoord. Een bepaalde stof kan niet meer worden
omgezet en hoopt zich op in de cel, terwijl het mogelijk belangrijke product te weinig
of soms helemaal niet meer gevormd wordt. Deze situatie kan tot min of meer
ernstige klachten leiden. Dit noemen we een stofwisselingsziekte.
Achtergrond
De term ‘leukodystrofie’ is een verzamelnaam voor erfelijke aandoeningen die
invloed hebben op de hersenen, het ruggenmerg en het centrale zenuwstelsel. De
term stamt af van de Griekse woorden “leuko”= wit, wat verwijst naar de witte stof in
de hersenen, en “dystrofie”= afbraak, wat verwijst naar de aantasting van de witte
stof. De witte stof bestaat uit zenuwvezels, kleine bloedvaatjes, steuncellen en vooral
myeline. Dit is een vetachtige substantie die de zenuwvezels, die prikkels doorgeven
in de hersenen, beschermt. Myeline is te vergelijken met de isolatie om een
elektriciteitsdraad. De term “metachromatisch” wordt gebruikt voor de specifieke
kleur van de cellen bij een patiënt, wanneer daar in het laboratorium bepaalde
kleuringen mee gedaan worden. MLD is een lysosomale stapelingsziekte.
Lysosomale stapelingsziekten
Lysosomen zijn onderdelen in de cellen van een mens. Het zijn in feite de
recyclefabriekjes van de cel, waar oude, kapotte celonderdelen worden afgebroken,
of indringers van buiten een kopje kleiner worden gemaakt. In de lysosomen worden
grote moleculen in kleinere stukken geknipt, waarna ze elders in de cel hergebruikt
worden. De gemiddeld 300 lysosomen in een cel zijn zeer verschillend. Hun vorm is
afhankelijk van welke moleculen ze precies moeten afbreken. Binnen een lysosoom
zijn zo’n honderd enzymen actief, die elk een specifieke stap in het verknippen van
een stof uitvoeren. Als er een enzym ontbreekt of zijn werk niet goed doet, kan één
stap in de verwerking niet worden uitgevoerd. De stof die verwerkt had moeten
worden, hoopt zich dan op in het lysosoom. Vandaar de naam lysosomale
stapelingsziekten: een ongewenste stof stapelt zich op in het lysosoom.
Dit heeft gevolgen voor de cel en uiteindelijk ook voor de organen en het lichaam.
Sphingolipiden
De groep lysosomale stapelingsziekten is verder onder te verdelen naar de soort
ongewenste stof die zich in de lysosomen opstapelt. Bij de sphingolipiden is dat een
bepaald type vetten. Die hopen zich op in de lysosomen waardoor de cellen extreem
groot worden en er onder de microscoop schuimachtig uitzien. De precieze
samenstelling van die schuimcellen verschilt en is vaak kenmerkend voor een
bepaalde ziekte.
Zeldzaamheid
MLD is een zeldzame stofwisselingsziekte. Naar schatting komt de ziekte in België
bij ongeveer 1 op de 40.000 levendgeboren kinderen voor. Dit is een schatting voor
alle vormen van MLD bij elkaar. In België komt de juveniele vorm het vaakst voor.
Symptomen
Het ziektebeeld van MLD is onder te verdelen in drie typen. Dit onderscheid heeft
vooral te maken met de leeftijd waarop de eerste symptomen verschijnen. Tussen
patiënten van één type kunnen er grote verschillen zijn in de symptomen en de
leeftijd waarop die beginnen. Daarnaast is er nog een zeldzame variant waarbij
patiënten niet alleen het enzym arylsulfatase A missen, maar nog minstens zes
andere sulfatasen. Deze patiënten hebben een ziektebeeld dat lijkt op dat van laat
infantiele MLD patiëntjes, gecombineerd met enkele kenmerken van andere ziekten,
de mucopolysaccaridosen.
Laat-infantiele MLD (begin voor de leeftijd van 30 maanden)
Kinderen met deze vorm van MLD worden meestal normaal geboren en ontwikkelen
zich in eerste instantie normaal. Vaak komen de eerste symptomen van de ziekte
tussen het eerste en tweede levensjaar aan het licht. De kinderen hebben moeite
met leren praten en leren lopen. Sommige patiëntjes leren nooit lopen, andere
verleren het binnen korte tijd nadat de ziekte begonnen is. De patiëntjes verliezen
steeds meer spierkracht en worden slap. Behalve niet meer lopen, kunnen ze binnen
korte tijd ook niet meer zelfstandig staan en zitten. Het slikken gaat achteruit zodat
sondevoeding nodig wordt. Hun verstandelijke ontwikkeling komt tot stilstand en ze
worden volledig verzorgingsafhankelijk. Hoewel ze niet meer kunnen spreken,
reageren ze vaak nog wel op hun ouders. In de laatste fase van hun ziekte zijn de
patiëntjes bedlegerig. Ze hebben al het contact met hun omgeving verloren en zijn
blind. Meestal duurt deze laatste fase enkele maanden tot jaren, waarna de
patiëntjes op jonge leeftijd overlijden.
Juveniele MLD (begin tussen 2.5 en 16 jaar)
Kinderen met juveniele MLD krijgen voor het eerst symptomen tussen hun derde en
zestiende levensjaar. Vaak begint het met een opvallende achteruitgang in de
schoolprestaties. De kinderen lijken verward of dagdromerig. Al snel krijgen ze ook
lichamelijke symptomen: ze worden onhandig, gaan vreemd lopen en steeds
slordiger praten. Ook deze patiënten krijgen verlammingsverschijnselen en verliezen
steeds meer vaardigheden, zowel fysieke als mentale. Zij worden uiteindelijk
bedlegerig en zorgafhankelijk. Ook kunnen ze hun gezichtsvermogen verliezen. Een
ernstige spasticiteit behoeft vaak aanvullende behandeling, soms met een
medicijnenpomp. Deze vorm verloopt langzamer dan de laat-infantiele vorm.
Levensverwachting wordt mede bepaald door complicaties en is moeilijk in te
schatten.
Adulte MLD
De eerste symptomen komen bij deze vorm na de puberteit aan het licht, maar de
precieze leeftijd kan sterk variëren (tot na het zestigste levensjaar). Bij deze
patiënten begint de ziekte vaak met psychiatrische verschijnselen en
gedragsproblemen. De prestaties op school of werk verslechteren langzaam en de
persoonlijkheid van de patiënt kan veranderen. Het verlies aan lichamelijke en
verstandelijke vaardigheden gaat geleidelijk, tot ook deze patiënten zorgafhankelijk
worden.
Diagnose
De diagnose wordt meestal gesteld door een specialist, die in eerste instantie afgaat
op de klinische verschijnselen en aan de hand daarvan onderzoek laat doen in bloed,
urine of gekweekte huidcellen. Hierna, of op basis van de kliniek en de
klassieke MRI afwijkingen kan de activiteit van het arylsulfatase A enzym worden
gemeten. Als dit onvoldoende aanwezig is, staat de diagnose vast. In het algemeen
wordt aansluitend nog genetisch onderzoek gedaan van het ARSA gen.