Inleiding
Pontocerebellaire hypoplasie type 2 (PCH2) is een erfelijke stofwisselingsziekte. Met
‘stofwisseling’ wordt het omzetten en verwerken van stoffen in ons lichaam bedoeld. Dat is
nodig voor de opbouw van weefsels, zoals spieren, botten en organen en voor het vrijmaken
van energie. De stofwisseling vindt plaats in alle cellen van ons lichaam, waar enzymen hun
werk doen. Als er iets mis is met een enzym, is de stofwisseling verstoord. Een bepaalde stof
kan niet meer worden omgezet en hoopt zich op in de cel, terwijl het mogelijk belangrijke
product te weinig of soms helemaal niet meer gevormd wordt. Deze situatie kan tot min of
meer ernstige klachten leiden. Dit noemen we een stofwisselingsziekte.
Achtergrond
In 1978 zag de Nederlandse kinderneuroloog professor Barth voor het eerst een kindje met
PCH2. Hoewel het patiëntje leed aan een voor hem nog onbekende ziekte, bleek al snel dat
dezelfde ziekteverschijnselen voorkwamen in verschillende Nederlandse families, die deels
met elkaar verwant waren. Op dat moment boden de standaard medische technieken nog
niet voldoende mogelijkheden om de oorzaak van de ziekte op te sporen. Na het overlijden
van het eerste patiëntje, onderzocht Barth de hersenen. Hij ontdekte dat de kleine hersenen
(cerebellum) en de brug van de hersenstam (pons) veel te klein waren (hypoplasie). Daarom
werd de ziekte omschreven met de term ‘pontocerebellaire hypoplasie’.
Meerdere vormen van pontocerebellaire hypoplasie
Inmiddels zijn er meerdere vormen van pontocerebellaire hypoplasie beschreven. Het
onderscheid wordt gemaakt aan de hand van het klinische beeld (de verschijnselen) en de
pathologische ontwikkeling van de hersenen.
PCH1 – veranderingen van de hersenen en het ruggenmerg leiden tot spierzwakte en een
vroegtijdig overlijden, meestal voor het eerste levensjaar.
PCH2 – kleinere hersenen dan normaal, die krimpen gedurende het leven, waardoor de
hoofdomtrek steeds meer achterblijft. Patiënten ontwikkelen zich nauwelijks,
zowel motorisch als mentaal. Kenmerkende spasticiteit, onbedwingbare bewegingen in
armen en benen, slikstoornissen en epileptische aanvallen.
PCH3 – vergelijkbaar met PCH2 zonder de kenmerkende spasticiteit, maar met afwijkingen
aan de oogzenuw.
PCH4 – als PCH2, maar ernstiger zodat al direct na de geboorte beademing nodig is. Bij de
geboorte is er vaak te veel vruchtwater (polyhydramnion) door een slikstoornis die al voor
de geboorte bestaat, zijn er stijve vervormde gewrichten (arthrogryposis) en een
ademstoornis waardoor vaak al direct een blijvende behoefte ontstaat aan beademing. Door
al deze factoren is de overlevingskans zeer gering.
PCH5 – als PCH4, maar begint voor de geboorte. Leidt tot vroegtijdige dood. PCH4 en PCH5
zijn onafhankelijk van elkaar beschreven door verschillende onderzoekers, maar zijn volgens
de laatste inzichten identiek.
PCH6 – de mitochondriële ademhalingsketen (energievoorziening van de cel) is aangedaan in
de spieren en in de hersenen. PCH6 kan dus ook tot de mitochondriale ziekten worden
gerekend. Ook deze vorm is ernstig en leidt tot vroegtijdig overlijden.
PCH7 – zeer zeldzame vorm van PCH, waarbij de mannelijke geslachtsontwikkeling gestoord
is.
PCH8 zeer zeldzame vorm van PCH, mogelijk is deze aandoening niet of slechts langzaam
progressief.
PCH9: zeldzaam, kan herkend worden aan een speciale vorm van de hersenstam op de MRI
scan.
PCH10 –zeldzaam, bij deze patiënten is ook het ruggenmerg aangedaan.
Hier wordt alleen type 2 pontocerebellaire hypoplasie beschreven. De afkorting is PCH2.
Omdat PCH2 opvallend vaak voorkomt bij een aantal families in Volendam, werd deze ziekte
ook wel Volendamse ziekte genoemd, maar deze aanduiding kan beter vermeden worden
omdat wij nu weten dat PCH2 over de gehele wereld voorkomt.
Het defecte enzym bij PCH2
In 2008 zijn mutaties in drie verschillende genen ontdekt die alle drie PCH2 veroorzaken. Aan
de hand van deze genen wordt PCH2 ook wel opgedeeld in PCH2a (TSEN54), PCH2b (TSEN2)
en PCH2c (TSEN34). De TSEN-genen coderen voor verschillende delen van een groot
enzymcomplex: het tRNA splicing endonuclease. Dit enzym is nodig voor het actief maken
van transfer RNA, afgekort: tRNA. tRNA’s zijn belangrijk voor het maken van eiwitten.
Tijdens de ontwikkeling zijn de hersenen waarschijnlijk gevoeliger voor een gebrek aan
tRNA, het product van het hier ontbrekende enzym, dan andere organen.
Zeldzaamheid
PCH2 is een relatief veel voorkomende stofwisselingsziekte. In België zijn enkele tientallen
families bekend waarin de ziekte voorkomt en daarbuiten ook. De kans bestaat echter dat
veel patiënten nog onopgemerkt blijven, doordat er weinig over de aandoening bekend is.
Symptomen
Veel kinderen met PCH2 krijgen kort na hun geboorte problemen als gevolg van hun ziekte.
De eerste verschijnselen die opvallen zijn slikproblemen en onrustig gedrag. Ook zijn zij vaak
slap, vooral in de rug en de nek. De kinderen vertonen een zeer geringe ontwikkeling, zowel
mentaal als motorisch. Zo ontwikkelen ze weinig tot geen controle over hun bewegingen en
leren de meeste patiënten nooit zelfstandig zitten. Patiëntjes maken bijna altijd
onwillekeurige schokkerige bewegingen (chorea) en vertonen meestal spasticiteit in de
armen en benen. Daarnaast komen epileptische aanvallen voor. Kinderen met PCH2 maken
nauwelijks contact met hun omgeving. Zij hebben een klein hoofd en op MRI-beelden is een
onderontwikkeling van delen van de hersenen te zien.
Sommige kinderen komen als baby te overlijden, bijvoorbeeld als ze bij infectie een te hoge
lichaamstemperatuur krijgen. Ook de kinderen die wat ouder worden, hebben een beperkte
levensverwachting, mede door de complicaties die hun meervoudige beperkingen
opleveren. Vroeger overleden de meeste kinderen met PCH2 door longontsteking, die het
gevolg was van verslikken. Tegenwoordig hebben bijna alle kinderen met PCH2 een PEG
sonde (een slangetje in de buikwand, waardoor de voeding rechtstreeks in de maag komt)
waardoor zij gevoed worden. Dit heeft de levensverwachting aanzienlijk verbeterd.
Diagnose
De ziekteverschijnselen kunnen aanleiding geven tot een vermoeden van de diagnose. De
diagnose PCH in het algemeen kan met MRI-onderzoek van de hersenen worden bevestigd.
DNA-onderzoek in bloed op de TSEN genen is noodzakelijk om de diagnostiek af te ronden.
Een mutatie in TSEN54 is de meest voorkomende oorzaak van PCH2, maar ook van
PCH4. Daarnaast wordt er ook in bloed en urine onderzoek gedaan bij de patiënt en de
ouders om andere stofwisselingsziekten uit te sluiten, omdat het beeld van de MRI bij PCH2
ook op sommige stofwisselingsziekten kan lijken. Als er mutaties in één van de TSEN genen
worden gevonden, wordt ook bij ouders DNA onderzoek verricht om na te gaan of zij drager
zijn van de ziekte (zie ook ‘Erfelijkheid’).
Omdat de ziekteverschijnselen zich op jonge leeftijd uiten, is het niet waarschijnlijk dat
broertjes en zusjes die ouder zijn dan de patiënt dezelfde ziekte hebben. Gezonde broertjes
en zusjes van een kind met PCH2 hebben echter wel een kans van 67% om drager te zijn. Dit
kan worden aangetoond met DNA-onderzoek naar de in de familie aangetoonde mutatie.
Met prenatale diagnostiek kan getest worden of een kind bij een volgende zwangerschap
dezelfde ziekte heeft.