Inleiding
Het Smith-Lemli-Optiz syndroom (SLOS) is een zeldzame, erfelijke
stofwisselingsziekte. Met ‘stofwisseling’ wordt het omzetten en verwerken van stoffen
in ons lichaam bedoeld. Dat is nodig voor de opbouw van weefsels, zoals spieren
botten en organen en voor het vrijmaken van energie. De stofwisseling vindt plaats in
alle cellen van ons lichaam, waar enzymen hun werk doen. Als er iets mis is met een
enzym, is de stofwisseling verstoord. Een bepaalde stof kan niet meer worden
omgezet en hoopt zich op in de cel. Als dit tot klachten leidt, noemen we het een
stofwisselingsziekte.
Achtergrond
De eerste keer dat het Smith-Lemli-Opitz syndroom werd beschreven, was in 1964.
De artsen David Smith, Luc Lemli en John Opitz hadden drie patiëntjes met vrijwel
gelijke uiterlijke kenmerken en symptomen. Sinds die eerste beschrijving is het
syndroom naar deze artsen vernoemd. Ondanks de kenmerkende uiterlijke
verschijnselen, bleek dat er veel variatie bestaat in hoe de ziekte zich uit. In de jaren
’90 van de vorige eeuw werd het mogelijk om de ziekte ook biochemisch vast te
stellen.
Cholesterol
De oorzaak van het SLO syndroom is een aangeboren afwijking in de vorming van
cholesterol. De laatste stap in de vorming van cholesterol is geblokkeerd door een
tekort aan het enzym dat daarvoor nodig is. Het gevolg is een tekort aan cholesterol
in het bloed en de weefsels en een hoog gehalte aan de directe voorloper van
cholesterol, het 7-dehydrocholesterol, de stof die eigenlijk omgezet had moeten
worden in cholesterol. Door het cholesteroltekort ontstaan reeds voor de geboorte
diverse aangeboren afwijkingen.
Enzymdefect
SLO syndroom wordt veroorzaakt door een defect in het enzym 7-dehydrocholesterol
reductase. Een verandering (mutatie) in een gen (het DHCR7 gen)
op chromosoom 11q12-13 is verantwoordelijk voor het enzymtekort.
Zeldzaamheid
Het Smith-Lemli-Opitz syndoom is een zeldzame aandoening. De ziekte komt in
Europese bevolkingsgroepen voor bij ongeveer 1 op de 20.000 tot 1 op de 80.000
nieuwgeboren kinderen per jaar. In andere etnische groepen is het voorkomen lager.
In Nederland worden gemiddeld twee tot drie patiënten per jaar met SLO syndroom
geboren.
Symptomen
De eerste patiënten van Smith, Lemli en Opitz hadden zeer duidelijke afwijkende
uiterlijke kenmerken. In de jaren na hun eerste beschrijving, is echter gebleken dat
de symptomen bij SLO-patiënten sterk uiteen kunnen lopen. Hieronder volgt een
opsomming van mogelijke symptomen. De ernst van die symptomen kan van patiënt
tot patiënt verschillen. De patiënten, die het meest ernstig aangedaan zijn, hebben
vaak een verminderde levensverwachting door dodelijke orgaanafwijkingen.
Uiterlijke kenmerken
Patiënten met SLO syndroom hebben typische gelaatstrekken met onder andere een
kleine schedel, een breed en hoog voorhoofd, afgezakte oogleden en een brede
neus met de neusgaten naar voren. Daarnaast hebben ze vaak een aantal
afwijkende lichamelijke kenmerken. Bij vrijwel alle patiënten zijn de tweede en derde
teen (gedeeltelijk) met elkaar vergroeid. Ook kunnen patiënten te veel of juist te
weinig vingers of tenen hebben, korte duimen en klompvoetjes. Daarnaast blijven de
patiënten vaak klein.
Oogafwijkingen
De ooglens heeft normaal gesproken een heel hoog cholesterolgehalte. Omdat de
cholesterolstofwisseling bij SLO-patiënten verstoord is, komen bij hen veel
oogafwijkingen voor. Behalve de al genoemde afhangende oogleden, zijn dat staar
en onvoldoende ontwikkelde oogzenuwen.
Organen
Bij SLO-patiënten worden afwijkingen gevonden in verschillende interne organen. Zo
kunnen hartafwijkingen voorkomen en problemen in het maag-darmstelsel die leiden
tot slecht eten en slecht groeien. De huid van veel SLO-patiënten is extra gevoelig
voor zonlicht, waardoor zij snel kunnen verbranden.
De geslachtskenmerken bij SLO-patiënten zijn verstoord doordat de
hormoonaanmaak uit balans is. Bij jongetjes met SLO syndroom zijn de
geslachtsdelen soms weinig tot niet ontwikkeld. Daardoor is het geslacht soms
moeilijk herkenbaar als jongen of meisje. Ook kan bij jongetjes de opening van de
plasbuis op een afwijkende plaats van de penis zitten. Door de verstoorde
hormoonbalans komt het ook voor dat SLO-patiëntjes vervroegd in de puberteit
raken.
Gedrag en ontwikkeling
Het grootste deel van de patiënten heeft een ontwikkelingsachterstand en een te
kleine schedel. De verstandelijke ontwikkeling van SLO-patiënten varieert van een
bijna normale intelligentie tot een ernstige verstandelijke beperking. In een studie in
2016 toonden 9 van de 145 SLO patienten (6%) een IQ > 80 aan.
Daarnaast kunnen gedragsafwijkingen voorkomen, zoals leermoeilijkheden,
overgevoeligheid voor aanrakingen, spraak- en taalproblemen, verstoorde
slaapritmes, specifieke bewegingen en de neiging om zichzelf te verwonden. Het
gedrag kan autistisch aandoen. De kinderen hechten vaak aan vaste routines en
vertonen dwangmatig gedrag. Een studie uit 2016 naar de samenstelling van
hersenvloeistof toonde aan dat er bij SLO-patienten 12 eiwitten anders van
samenstelling zijn door het biochemische defect.
Veel SLO-patiëntjes hebben slaapproblemen, zowel bij het inslapen als bij het
doorslapen. Soms hebben ze erg weinig slaap per nacht nodig. Een studie uit 2016
toonde aan dat de slaapstoornissen bij 20 patienten gecorreleerd was aan de
biochemische afwijkingen, dus hoe hoger de precursors hoe meer slaapproblemen er
waren. De slaap- en gedragsproblemen hebben vaak een grote impact op de rest
van het gezin.
Diagnose
De afwijkende uiterlijke kenmerken kunnen voor een arts de aanleiding zijn de
diagnose te vermoeden. Met laboratoriumonderzoek kan de diagnose definitief
worden bevestigd. De aanwezigheid van grote hoeveelheden 7-dehydrochoesterol
(de voorloper van cholesterol) in verschillende weefsels van de patiënt, zoals bloed-
of huidcellen, bevestigt de diagnose.
Prenatale diagnostiek
Als er eerder in een gezin een kind is geboren met SLO syndroom, kan bij een
volgende zwangerschap worden vastgesteld of het ongeboren kindje de ziekte ook
heeft. Dit kan door onderzoek van het vruchtwater of van het materiaal van een
vlokkentest. Tegenwoordig wordt echter vaker gebruik gemaakt van DNA-onderzoek.
Het blijkt uit een grote studie dat de dragerschapfrequentie van SLO in Noord-Europa
ongeveer 1 op 54 mensen is.