Inleiding
De ziekte van Alexander is een zeldzame, erfelijke stofwisselingsziekte. Met ‘stofwisseling’
wordt het omzetten en verwerken van stoffen in ons lichaam bedoeld. Dat is nodig voor de
opbouw van weefsels, zoals spieren, botten en organen en voor het vrijmaken van energie.
De stofwisseling vindt plaats in alle cellen van ons lichaam, waar enzymen hun werk doen.
Als er iets mis is met een enzym, is de stofwisseling verstoord. Een bepaalde stof kan niet
meer worden omgezet en hoopt zich op in de cel, terwijl het mogelijk belangrijke product te
weinig of soms helemaal niet meer gevormd wordt. Deze situatie kan tot min of meer
ernstige klachten leiden. Dit noemen we een stofwisselingsziekte.
Achtergrond
De ziekte van Alexander is genoemd naar de arts William Stuart Alexander. Hij beschreef in
1949 voor het eerst een patiënt met de ziekte. Karakteristiek zijn de abnormale grootte van
de schedel bij kinderen, progressieve spasticiteit en dementie. De ziekte lijkt op de ziekte
van Canavan. De ziekte is een zogenoemde ‘leukodystrofie’.
Witte stof
De ziekte van Alexander behoort tot de groep ‘leukodystrofieën’. De term ‘leukodystrofie’ is
een verzamelnaam voor aandoeningen die invloed hebben op de witte stof van de hersenen
en het ruggenmerg. Hersenen en ruggenmerg vormen samen het centraal zenuwstelsel. De
term stamt van het Griekse woorden “leuko”= wit, wat verwijst naar de witte stof in de
hersenen, en “dystrofie” = afbraak, wat verwijst naar de aantasting van de witte stof. Witte
stof in de hersenen is wit door de aanwezigheid van myeline. Dit is een vetachtige
substantie, die als isolatielaagje rond zenuwvezels aanwezig is. Myeline is te vergelijken met
de isolatie om een elektriciteitsdraad. Er zijn vele soorten leukodystrofieën geïdentificeerd,
waaronder Adrenoleukodystrofie (X-gebonden), de ziekte van Canavan, de ziekte van
Krabbe, Metachromatische Leukodystrofie, de ziekte van Pelizaeus-Merzbacher en de ziekte
van Refsum. De oorzaken zijn verschillend, maar in alle gevallen wordt de witte stof van de
hersenen beschadigd en zijn de symptomen vergelijkbaar.
De ziekte van Alexander is een van de zeldzamere van alle geïdentificeerde leukodystrofieën.
De ziekte van Alexander wordt gekenmerkt door de aanwezigheid van Rosenthal vezels (dit
is een neerslag van eiwitten in de hersencellen) in de hersenen en het ruggenmerg.
Er zijn vier vormen: de neonatale vorm, de infantiele vorm, de juveniele vorm en de adulte
vorm. Nadere uitleg vindt u onder ‘symptomen’.
Het defecte enzym bij de ziekte van Alexander
De ziekte van Alexander wordt veroorzaakt door defecten in het gen dat codeert voor het
eiwit ‘glial fibrillary acidic protein’ (GFAP). Dat eiwit is belangrijk voor astrocyten, de
steuncellen van de hersenen.
Zeldzaamheid
De ziekte van Alexander is een zeer zeldzame aandoening. Exacte aantallen zijn niet bekend.
Symptomen
De ziekte van Alexander wordt veroorzaakt doordat het GFAP eiwit stapelt in de cellen, die
een ondersteunende functie hebben in de hersenen en het ruggenmerg (stervormig vertakte
cellen: astrocyten). Het gestapelde GFAP vormt de Rosenthal vezels.
De ophoping van Rosenthal vezels leidt er bij de ziekte van Alexander toe dat astrocyten er
abnormaal uitzien en ook niet meer goed kunnen functioneren. Goedwerkende astrocyten
zijn nodig voor de aanmaak en het onderhoud van myeline. De verstoorde functie van de
astrocyten door de stapeling van Rosenthal vezels leidt tot de leukodystrofie.
Algemene symptomen zijn: psycho motorische achteruitgang, spasticiteit, epileptische
aanvallen, problemen met slikken, spreken en hoesten en vaak een groot hoofd.
Er zijn vier vormen, die dezelfde genetische basis hebben, maar waarbij de symptomen van
elkaar verschillen en de ziekte op verschillende leeftijden begint. De juveniele en adulte
vorm zijn minder progressief dan de infantiele vorm. De neonatale vorm komt weinig voor
en is erg snel progressief.
Neonatale vorm:
De ziekte krijgt uiting in de eerste levensmaand en heeft een snelle afloop. De kinderen
raken ernstig gehandicapt en overlijden meestal voor het 2e levensjaar. Symptomen zijn
epileptische aanvallen, groot hoofd, ernstige motorische en mentale achteruitgang.
Infantiele vorm:
De klachten ontstaan voor de leeftijd van 2 jaar (meestal tussen 2 en 18 maanden). De ziekte
is progressief en leidt tot een abnormaal groot hoofd, epileptische aanvallen, toenemende
ontwikkelingsachterstand (mentaal en motorisch) en spasticiteit van zowel armen als benen.
Vaak groeien zij niet goed, zowel in lengte als gewicht. Eten wordt vaak een probleem door
problemen met slikken en sondevoeding is vaak nodig. Over het algemeen geldt dat hoe
eerder de ziekte ontstaat, des te ernstiger en sneller de ziekte verloopt. Echter de ernst en
de symptomen wisselen per kind en kinderen krijgen niet alle symptomen.Hoewel er
kinderen zijn die overlijden in hun eerste levensjaar, worden de meesten 5-10 jaar.
Juveniele vorm:
De klachten ontstaan in de kinderleeftijd (meestal tussen 4 en 10 jaar). De symptomen
ontwikkelen zich langzamer. Kenmerkend zijn moeite met praten, slikken en soms het niet
goed kunnen hoesten. Tijdens het verloop van de ziekte kunnen de volgende symptomen
optreden: groeiachterstand, overgeven, ademhalingsproblemen en achteruitgang van het
lopen veroorzaakt door problemen met de coördinatie en spasticiteit. De mentale functie
kan achteruit gaan, maar de intelligentie kan relatief normaal blijven. De hoofdomvang is
vaak normaal. Na aanvang van de symptomen, kunnen de kinderen nog jaren leven, soms
wel tot middelbare leeftijd.
Adulte vorm:
Deze vorm is heel zeldzaam. De klachten beginnen op volwassen leeftijd (20-40 jaar).
Symptomen zijn variabel. De neurologische klachten beginnen op volwassen leeftijd.
Kenmerken zijn problemen met de spraak en het slikken, epileptische aanvallen, stoornissen
in de functie van armen en benen, veroorzaakt door spasticiteit en coördinatieproblemen.
Ook hebben patiënten last van een scoliose (verkromming van de wervelkolom).
Soms zijn de symptomen zo mild dat pas na overlijden (tijdens autopsie) ontdekt wordt dat
er Rosenthal vezels aanwezig zijn.
Diagnose
Tot 2001 werd de ziekte vastgesteld door het aantonen van Rosenthal vezels in
zenuwweefsel onder de miscroscoop. Daar was dan een biopt (stukje weefsel) van de
hersenen voor nodig.
Nu is de genafwijking die de ziekte van Alexander veroorzaakt, bekend. Genetisch onderzoek
van een bloedmonster wordt meestal gebruikt om de ziekte te diagnosticeren.
Een vermoedelijke diagnose kan worden gesteld op basis van kenmerkende MRI
afwijkingen. De MRI-scan van de hersenen toont bij de vroege vormen van de ziekte
abnormale witte stof. Vooral het frontale deel van de hersenen is aangetast. Bij de latere
vormen van de ziekte staan de afwijkingen aan de hersenstam meestal op de voorgrond.
Daarnaast toont de MRI bijna altijd andere specifieke kenmerken, die wijzen in de richting
van de ziekte van Alexander.
Prenataal onderzoek
De meeste patiënten ontstaan door nieuwe afwijkingen in het GFAP gen. De kans dat een
volgend kind van dezelfde ouders de ziekte ook zal hebben, is dan buitengewoon klein. Als
eerder in het gezin een kind is geboren met de ziekte van Alexander kan, als ouders dat
willen, bij een volgende zwangerschap wel onderzocht worden of het ongeboren kindje de
ziekte ook heeft. Het (geringe) risico van het veroorzaken van een abortus door de
vlokkentest moet echter wel afgewogen worden tegen de zeer geringe kans op de ziekte van
Alexander bij een volgend kind. De kans op abortus is groter dan de kans op een aangedaan
kind.