Inleiding
Infantiele cystinose is een zeldzame, erfelijke stofwisselingsziekte. Met ‘stofwisseling’
wordt het omzetten en verwerken van stoffen in ons lichaam bedoeld. Dat is nodig
voor de opbouw van weefsels, zoals spieren botten en organen en voor het
vrijmaken van energie. De stofwisseling vindt plaats in alle cellen van ons lichaam,
waar enzymen hun werk doen. Als er iets mis is met een enzym, is de stofwisseling
verstoord. De stofwisseling kan ook verstoord zijn doordat een transporteiwit niet
goed werkt. Een bepaalde stof kan niet meer worden omgezet en hoopt zich op in de
cel. Als dit tot klachten leidt, noemen we het een stofwisselingsziekte.
Achtergrond
Infantiele cystinose is een lysosomale stapelingsziekte, waarbij de patiënten vooral
symptomen hebben in de nieren.
Nieren
Ieder mens heeft twee nieren, aan elke kant van het lichaam één, gelegen aan de
achterkant van de buikholte. De nieren hebben een schoonmaakfunctie: het bloed
stroomt erdoorheen om gezuiverd te worden. De afvalstoffen komen in de urine
terecht.
Bij cystinosepatiënten slaan cytinekristallen neer in de cellen van de nieren. De
kristallen belemmeren de functie, waardoor de nier afvalstoffen, zoals ureum, niet
meer kan verwijderen. Als dat gebeurt, moet de patiënt gedialyseerd worden: het
bloed moet gefilterd worden buiten het lichaam, om de effecten van deze giftige
afvalstoffen tegen te gaan.
Cystinosepatiënten worden behandeld met cysteamine, waardoor de nierfunctie in de
meeste gevallen veel minder snel verslechtert en soms zelfs helemaal niet
verslechtert (zie Behandeling).
Lysosomale stapelingsziekten
Lysosomen zijn onderdelen in de cellen van een mens. Het zijn in feite de
recyclefabriekjes van de cel, waar moleculen worden afgebroken. Dit zijn oude,
kapotte celonderdelen, of bijvoorbeeld delen van virussen of bacteriën die door het
lichaam zijn vernietigd. In deze lysosomen worden grote moleculen in kleinere
stukken geknipt, waarna ze vervolgens door de cel hergebruikt worden. De
gemiddeld 300 lysosomen in een cel zijn zeer verschillend. Hun vorm is afhankelijk
van welke moleculen ze precies moeten afbreken. Binnen een lysosoom zijn zo’n
tientallen enzymen actief, die elk een specifieke stap in het verknippen van een stof
uitvoeren. Als er een enzym ontbreekt of zijn werk niet goed doet, kan één stap in de
verwerking niet worden uitgevoerd. De stof die verwerkt had moeten worden, hoopt
zich dan op in het lysosoom. Vandaar de naam lysosomale stapelingsziekten: een
ongewenste stof stapelt zich op in het lysosoom.
Dit heeft gevolgen voor de cel en uiteindelijk ook voor de organen en het lichaam.
Transport vanuit het lysosoom
Infantiele cystinose wordt veroorzaakt door een defect in het transport van het
aminozuur cystine door het lysosomale membraam. Cystine is een afbraakproduct
dat normaal gesproken elders in de cel wordt hergebruikt. Het transporteiwit dat
cystine uit het lysosoom moet helpen, werkt bij cystinosepatiënten niet goed.
Daardoor stapelen grote hoeveelheden cystine zich op in het lysosoom, in de vorm
van kristallen. De cystinekristallen stapelen zich in het hele lichaam op, maar de
meest getroffen organen zijn de nieren en de ogen.
Het defecte eiwit bij cystinose
Door een genetische afwijking missen cystinosepatiënten het eiwit dat zorgt voor het
transport van cystine vanuit het lysosoom. Dit transporteiwit wordt cystinosine
genoemd.
Zeldzaamheid
Infantiele cystinose is een zeldzame stofwisselingsziekte die voorkomt bij ongeveer 1
op de 100.000 tot 1 op de 200.000 nieuwgeboren kinderen per jaar. Omdat de
patiënten door de behandeling een goede kans hebben om normaal oud te worden,
zijn er redelijk veel cystinosepatiënten in leven.
Symptomen
De diagnose van infantiele cystinose wordt meestal gesteld bij kinderen tussen de 6
en 18 maanden oud. Ze drinken en plassen veel, groeien niet, hebben last van
Engelse ziekte (zachte botten door vitamine D-, calcium- en fosforgebrek) en
uitdrogingsverschijnselen. Dit wordt veroorzaakt doordat water, mineralen,
fosfaat, glucose en kleine eiwitten niet goed heropgenomen worden door de nieren
(ook wel Fanconi syndroom genoemd). Het verschil tussen infantiele cystinose en
andere ziekten waarbij Fanconi syndroom een uitingsvorm is, is te zien in de ogen
als het kind ouder is dan één jaar. Wanneer daar kristalvorming optreedt (door
opslag van cystine) is er sprake van infantiele cystinose.
Deze ernstigste vorm van cystinose leidt onbehandeld tot het compleet uitvallen van
de nieren, waardoor een transplantatie op ongeveer negenjarige leeftijd al
noodzakelijk is. Er zijn ook nog twee mildere vormen van cystinose: juveniele en
adulte cystinose.
Alle cystinosepatiënten hebben in het algemeen een normale intelligentie.
Diagnose
De symptomen die patiënten hebben, geven de arts vaak al een vermoeden van de
diagnose. De definitieve diagnose wordt in het laboratorium gesteld. Daarvoor is
bloed van de patiënt nodig.
Het is mogelijk voor families om bij een volgende zwangerschap te kiezen voor een
prenatale test, indien er in het gezin al een kind met infantiele cystinose is
gediagnosticeerd. Daarbij wordt in vlokkenmateriaal (10-12 weken) of vruchtwater
(14-16 weken) gekeken kan worden of de vrucht infantiele cystinose heeft. Omdat de
ziekte tegenwoordig goed te behandelen is, kiezen niet veel ouders hiervoor. Wel
laten ze dan direct na de geboorte onderzoeken of het kindje infantiele cystinose
heeft, zodat het direct behandeld kan worden.