Symptomen
Tyrosinemie type 1 komt voor in drie verschillende “vormen”: een zeer vroege- , een
vroege en een latere presentatie. Een kenmerkend onderdeel van de ziekte is dat er
schade optreedt aan lever en nieren. De lever- en nierziekte bij tyrosinemie type 1
wordt veroorzaakt door ophoping van giftige stoffen zoals fumarylacetoacetaat en de
stofwisselingsproducten daarvan (succinylaceton). Zonder behandeling kunnen
patiëntjes door de verminderde leverfunctie en/of verminderde nierfunctie, vroegtijdig
komen te overlijden. Ook is er een groot risico op porfyrieaanvallen en leverkanker.
Met de behandeling verandert de situatie gelukkig erg sterk.Er is de laatste tijd veel
meer duidelijk geworden over het risico op de problemen als leverfalen en
leverkanker. Deze risico’s zijn zeer klein als een kind met de hielprik wordt gevonden
en met NTBC en het dieet start. We krijgen echter ook steeds helderder dat
achterstand in de ontwikkeling zowel qua IQ als sociaal-emotionele ontwikkeling
inderdaad een rol kan spelen bij deze kinderen. De vraag is wat daar de oorzaak van
is en hoe we die oorzaak teniet doen.
Tyrosinemie type 1: zeer vroege presentatie (bij < 2 levensmaanden)
De kinderen die voor de leeftijd van < 2 maanden worden gediagnostiseerd
presenteerden zich eigenlijk altijd door leverfalen vaak na een periode waarin een
patiëntje onvoldoende aankwam in gewicht en lengte. Gelukkig is dat verleden tijd
omdat we in Nederland de kinderen met de neonatale hielprik kunnen opsporen
voordat er nog maar 1 symptoom is ontstaan.
Toen de diagnose nog werd gesteld op de klinische problemen toen lieten deze
patiënten als eerste symptomen meestal overgeven, diarree en een bloederige
ontlasting zien. Hierdoor kwamen de kinderen nauwelijks aan in gewicht. Vaak waren
patiëntjes ook extreem slaperig of geïrriteerd. Patiënten hadden soms ook een
specifieke geur bij zich door uitscheiding van bepaalde afvalstoffen via de urine. De
leverproblemen leidden tot een vergrote lever en geel zien. Vaak is er een
combinatie met een bolle buik door vochtophoping. Doordat de lever zijn werk niet
goed doet worden er te weinig stollingsfactoren gemaakt. Dit kan leiden tot
bloedingen. Ook kunnen ze zich presenteren met “zuur zijn”(moe, minder alert, snelle
ademhaling, geïrriteerd) door nierproblemen.
Tyrosinemie type 1: late presentatie (bij > 6 maanden)
Kinderen presenteren zich meestal met problemen van nierfalen en progressieve
leverziekte. Daarbij kunnen de kinderen een verzwakking van de botten hebben als
ze ook nierschade hebben. Dit noemen we rachitis, ofwel ‘Engelse Ziekte’. Sommige
kinderen maken een neurologische crisis door: episodes van zwakte en pijn in
armen, benen of andere delen van het lichaam. Ademhalingsproblemen en een
snelle hartslag komen daarbij ook voor.
Tyrosinemie type 1: vroege presentatie (2-6 levensmaanden)
Deze kinderen presenteren zich met de problemen van de zeer vroege presentatie,
maar hun presentatie is later en de prognose beter. Bij verdenking op tyrosinemie
type 1 kan in een metabool laboratorium de hoeveelheid succinylaceton worden
bepaald met geavanceerde apparatuur.. De analyse van succinylaceton kan zowel in
bloed als in urine worden gedaan. Definitieve bevestiging van de diagnose gebeurt
door het zoeken naar de DNA mutaties.
Diagnose
Hielprik
In 2007 is de screening van pasgeborenen (de ‘hielprik’) uitgebreid. Het bloed van de
pasgeborenen wordt sinds 2009 ook onderzocht op tyrosinemie. Dat betekent dat de
diagnose al kan worden gesteld voordat het patiëntje ziekteverschijnselen vertoont.
Daarmee kan de behandeling zo snel mogelijk worden ingezet, zodat schade door
ontregeling wordt voorkomen.
Prenataal onderzoek
Als eerder in het gezin een kind is geboren met tyrosinemie type 1, kan bij een
volgende zwangerschap onderzocht worden of het ongeboren kindje de ziekte ook
heeft. Dat kan door het meten van de succinylaceton concentratie in vruchtwater,
bepaling van de activiteit van fumarylacetoacetase in gekweekte vruchtwatercellen,
of door DNA-onderzoek te laten verrichten. Dat kan alleen als bekend is welke
mutatie de patiënt precies heeft.
Dragerschapsonderzoek
Als de mutatie binnen een familie bekend is, kan vastgesteld welke familieleden
drager zijn van de mutatie.