Inleiding
De ziekte van Krabbe is een zeldzame, erfelijke stofwisselingsziekte. Met
’stofwisseling‘ wordt het omzetten en verwerken van stoffen in ons lichaam bedoeld.
Denk maar aan de verwerking van voedsel in de maag: om eiwit, vet en suikers te
kunnen gebruiken moeten grote brokken voedsel tot kleine stukjes worden gemaakt.
Dat is nodig voor de opbouw van weefsels, zoals spieren botten en organen en voor
het vrijmaken van energie. Voor ieder stapje in de afbraak van die voedselbrokken
zijn speciale stofjes nodig die dat mogelijk maken: dit zijn enzymen. Net als voedsel
in de maag, vindt in iedere lichaamscel ook afbraak van stoffen plaats. Dat zijn dan
meestal stoffen uit het bloed die niet meer nodig zijn (bijvoorbeeld van bloedcellen
die te oud zijn geworden). Ook daar doen enzymen het afbraakwerk. Als er iets mis
is met een enzym, is de stofwisseling verstoord. Een bepaalde stof kan niet meer
worden omgezet en hoopt zich op in de cel. Als dit tot klachten leidt, noemen we het
een stofwisselingsziekte.
Achtergrond
Het was de Deense arts Krabbe die de later naar hem genoemde ziekte als eerste
signaleerde en beschreef in een neurologische tijdschrift in het jaar 1916. De ziekte
is dus al heel lang bekend, al heeft het na de ontdekking nog lang geduurd voor er
inzicht kwam in de aard van deze ziekte. De ziekte van Krabbe is een leukodystrofie,
dat wil zeggen een ziekte waarbij de witte stof beschadigd raakt en verloren gaat. In
de zestiger jaren werd ontdekt dat de ziekte een z.g. lysosomale ziekte is en in de
zeventiger jaren werd het ontbrekende enzym ontdekt.
Lysosomale stapelingsziekten
Lysosomen zijn onderdelen in de cellen van een mens. Het zijn in feite de
recyclefabriekjes van de cel, waar moleculen worden afgebroken. Dit zijn oude,
kapotte celonderdelen, of bijvoorbeeld delen van virussen of bacteriën die door het
lichaam zijn vernietigd. In deze lysosomen worden grote moleculen in kleinere
stukken geknipt, waarna ze vervolgens door de cel hergebruikt worden. De
gemiddeld 300 lysosomen in een cel zijn zeer verschillend. Hun vorm is afhankelijk
van welke moleculen ze precies moeten afbreken. Binnen een lysosoom zijn zo’n
tientallen enzymen actief, die elk een specifieke stap in het verknippen van een stof
uitvoeren. Als er een enzym ontbreekt of zijn werk niet goed doet, kan één stap in de
verwerking niet worden uitgevoerd. De stof die verwerkt had moeten worden, hoopt
zich dan op in het lysosoom. Vandaar de naam lysosomale stapelingsziekten: een
ongewenste stof stapelt zich op in het lysosoom.
Dit heeft gevolgen voor de cel en uiteindelijk ook voor de organen en het lichaam.
Witte stof in de hersenen
De stof die bij patiënten met de ziekte van Krabbe niet goed verwerkt wordt is
galactocerebroside. Dat is een zeer groot molecuul, dat een onderdeel vormt van de
witte stof in de hersenen en zenuwbanen. Witte stof bestaat uit myeline, een
vetachtige substantie die de zenuwen, die prikkels doorgeven in de hersenen,
beschermt. Myeline is te vergelijken met de isolatie om een elektriciteitsdraad. Deze
myeline bevat veel galactocerebroside. In een gezond lichaam wordt deze stof
steeds ververst: er komt continu nieuwe galactocerebroside bij en oude moleculen
worden afgebroken.
Patiënten missen het enzym om deze stof af te breken, waardoor die zich opstapelt
in de witte stof van de hersenen en de zenuwcellen. Dat leidt tot een dusdanige
verstoring dat de myelineomhulling van de zenuwen en hersencellen kapot gaat. Een
algemene naam voor dit proces is leukodystrofie.
De term ‚leukodystrofie‘ is een verzamelnaam voor aandoeningen die invloed hebben
op de hersenen, het ruggenmerg en het centraal zenuwstelsel. De term stamt van
het Griekse woorden „leuko“= wit, wat verwijst naar de witte stof in de hersenen, en
„dystrofie“ =afbraak, wat verwijst naar de aantasting van de witte stof. De ziekte van
Krabbe heet ook wel globoidcel leukodystrofie.
Het defecte enzym bij de ziekte van Krabbe
De ziekte van Krabbe wordt veroorzaakt door een defect in het enzym
galactocerebrosidase. Dit enzym ruimt normaal gesproken ‚oude‘
galactocerebrosidemoleculen op.
Zeldzaamheid
De ziekte van Krabbe is een zeldzame stofwisselingsziekte. Naar schatting komt de
ziekte in België bij ongeveer 1 op de 74.000 levendgeboren kinderen voor.
Symptomen
De klassieke vorm van de ziekte van Krabbe is die van een ziektebeeld dat optreedt
bij nog zeer jonge zuigelingen. Dit ziektebeeld treft het overgrote deel van de
patiënten (90%). Sinds de opkomst van de enzymdiagnostiek is duidelijk geworden
dat de ziekte van Krabbe zich ook op latere leeftijd kan openbaren. De laat
beginnende vormen worden meestal ingedeeld op grond van de leeftijd waarop de
patiënt voor het eerst symptomen krijgt. Men onderscheidt bijvoorbeeld een laat
infantiele vorm (begin van de ziekte tussen 18 maanden en 4 jaar), een juveniele
vorm (tussen 4 en 10 jaar), en een adulte vorm (na het twintigste jaar). Deze indeling
groepeert zich rond bepaalde pieken in het voorkomen, maar in feite kan de ziekte
op elke leeftijd beginnen. Als binnen hetzelfde gezin de ziekte zich herhaalt, is de
leeftijd van optreden doorgaans gelijk.
De klassieke vorm van de ziekte van Krabbe
De ‚klassieke‘ ziekte van Krabbe begint na een korte periode van normale
ontwikkeling meestal omstreeks de leeftijd van 3 maanden (dit kan echter variëren
van één tot zeven maanden). De eerste verschijnselen zijn: prikkelbaarheid,
overmatig huilen, en een overstrekte ligging. Daarna volgt een fase waarin patiëntjes
snel achteruitgaan. Hun ledematen worden stijver, waarbij de armen meestal
gebogen en de benen gestrekt liggen. Geleidelijk worden de patiëntjes blind en
verliezen ze het contact met hun omgeving. Ook hebben ze in dit stadium vaak
epileptische aanvallen en problemen door overmatige vorming van speeksel en slijm
in de luchtwegen. Omdat ze niet meer goed kunnen slikken, wordt sondevoeding
noodzakelijk.
Uiteindelijk raken patiëntjes volledig los van hun omgeving. Ze zijn blind, hebben
vrijwel geen hersenactiviteit en zijn vaak ook doof. Gemiddeld worden kinderen met
de klassieke vorm van de ziekte van Krabbe niet ouder dan 14 maanden. Bij de
levensverwachting spelen factoren als de intensiteit van de verzorging en de
behandeling van complicaties een belangrijke rol. Veelvoorkomende complicaties zijn
infecties van de luchtwegen.
Laat-infantiele vorm van de ziekte van Krabbe
Kinderen met deze vorm van de ziekte, hebben een normale ontwikkeling gedurende
tenminste het eerste levensjaar. Daarna ontwikkelen zij een verminderd evenwicht
(ataxie), spierzwakte, spasticiteit en later ook een spraakstoornis. Verlies van
gezichtsscherpte, mentale achteruitgang, epileptische aanvallen, en doofheid worden
ook waargenomen. Soms is deze vorm voornamelijk gekenmerkt door het optreden
van een opvallende spierslapte en spierzwakte. De meeste kinderen met de laat
infantiele vorm van de ziekte overlijden vóór het tiende jaar.
Juveniele vorm van de ziekte van Krabbe
Deze vorm begint meestal als patiënten tussen vijf en negentien jaar oud zijn. Hierbij
treedt vaak aantasting van de oogzenuwen op met geleidelijke vermindering van het
gezichtsvermogen en een geleidelijke achteruitgang van spierfuncties op met
verstijvingen (spasticiteit). De mentale functies kunnen heel lang goed blijven, maar
gaan uiteindelijk ook achteruit, zodat een gecombineerde geestelijke en lichamelijke
invaliditeit ontstaat. Deze vorm van de ziekte verloopt wat trager, maar uiteindelijk
overlijden patiënten aan de ziekte.
Adulte vorm van de ziekte van Krabbe
In een enkel geval komt de ziekte van Krabbe voor bij volwassenen. Bij hen zijn de
symptomen uiteindelijk vergelijkbaar, maar het verloop is meestal veel langzamer.
Bovendien presenteren zij zich vaker met spastische verlamming aan de benen. Een
ander verschil is dat bij hen minder eiwitten gevonden worden in het hersen- en
ruggenmerg.
Diagnose
De diagnose bij de ziekte van Krabbe is niet moeilijk te stellen, maar omdat de ziekte
zeldzaam is, denken artsen niet altijd meteen aan deze diagnose. Er zijn enkele
aanwijzingen die de specialist op het spoor zetten. Allereerst is dit
de MRI (magnetisch resonantie beeld) van de hersenen waarop afwijkingen aan de
witte stof goed te zien zijn. Daarnaast vertoont onderzoek van het hersenvocht een
verhoogd eiwitgehalte, en de geleidingssnelheid van de zenuwbanen buiten het
ruggenmerg blijkt bij onderzoek vertraagd te zijn (meestal alleen bij de klassieke
vorm).
Als de specialist vermoedt dat het om de ziekte van Krabbe gaat, laat hij wat bloed
afnemen en stuurt dit naar een labo voor de diagnostiek. Hier worden de witte
bloedcellen geïsoleerd en wordt het galactocerebrosidase bepaald. Deze bepaling
geeft het absolute antwoord op de vraag wel of niet de ziekte van Krabbe. Dit geldt
voor alle vormen.
Als er eerder een kind met de ziekte van Krabbe in een gezin is geboren, is het
mogelijk om bij een zwangerschap te bepalen of het ongeboren kind de ziekte ook
zal krijgen. Als uit de vlokkentest blijkt dat dat zo is, kunnen de ouders overwegen
om de zwangerschap af te breken.